Lucas 1:18-20: “18En Zacharias zei tegen de engel: Hoe zal ik dat weten? Want ik ben oud en mijn vrouw is op leeftijd gekomen. 19En de engel antwoordde en zei tegen hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ik ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze dingen te verkondigen. 20En zie, u zult zwijgen en niet kunnen spreken tot op de dag dat deze dingen gebeurd zijn, omdat u mijn woorden niet geloofd hebt, die vervuld zullen worden op hun tijd.”
Sprakeloos
Wanneer een misdadiger door de politie gearresteerd wordt, zijn de agenten verplicht om een cautie te zeggen: “u bent niet tot antwoorden verplicht…” – De reden waarom ze dat moeten zeggen, is omdat wij mensen de neiging hebben om dingen te zeggen die niet goed doordacht zijn. Zeker niet als iemand ons aanklaagt. Deze neiging is er vanaf het begin, letterlijk vanaf Adam en Eva, van Kain…Wij weten gewoon niet wanneer wij onze mond moeten dichthouden, omdat het onze situatie erger maakt. Ik moet daarbij denken aan woorden uit de catechismus: Nee, wij kunnen Gods goede wet niet houden, sterker nog, v we maken dagelijks onze schuld groter.
Maar hoe zit dat met wanneer wij iets positiefs te horen krijgen? Een goede boodschap. Zo goed dat het bijna ongelooflijk is? Nou, het verhaal va Zacharias toont dat wijdan ook moeite hebben om iets te zeggen wat wijs, goed, toepasselijk is. Hij ontvangt van de engel Gabriël een bericht waar hij heel zijn leven op heeft gewacht…. Een bericht wat voor heel de wereld een zegen zou zijn. Een bijzondere zoon beloofd aan hem en zijn vrouw op z’n oude dag… En het enige wat hij zegt is: hoe zal ik dat weten? Een best vreemde reactie. Dat zou je misschien zo moeten lezen: “Hoe kan ik zeker weten dat dat waar is?” Zacharias wil zekerheid, vastigheid, bewijs…met andere woorden, hij is skeptischtegenover het evangelie. Dit zegt dan ook de engel Gabriel tot hem: “omdat je niet geloofd hebt…” – en hij wordt tot zwijgen gebracht.
Wij weten niet wanneer wij onze mond moeten houden…wij kunnen de stilte niet verdragen…en hebben niet eens door, de schade die wij anderen én onszelf daarmee aandoen.
En hoe is het bij ons? Wat is onze reactie zowel bij een aanklacht, als ook bij een ongelooflijk blijde boodschap…Laat ik het zo vragen? Als wij vanuit Gods Woord te horen krijgen dat wij onder Zijn rechtvaardig oordeel zijn, kunnen wij dan stil zwijgend Zijn woorden van oordeel over ons heen laten komen? Als teken van dat we het ermee eens zijn? Ik kan me herinneren aan een moment wanneer ik over de haven liep met gasten uit Hongarije, en wij bij het ‘leugenbinkien’ langs liepen. Ik vertelde: hier verzamelen vaak mannen van het dorp om alle nieuwtjes te bespreken en sterke verhalen te vertellen. Ze zeiden: nou, luister maar even, waar hebben ze het over? Ik vertaalde: oh, toevallig zegt de ene man tegen de anderen: “en as jie op zuundag je in een preek hooren: jiebinnen zundig…moet je niet zeggen, ja maar Heere, m’n buurman doet arrugere dingen. Nee…dat moet je over je eenelaoten koemen.” – Stil zwijgen bij Zijn oordeel.
Maar andersom is het ook waar…kunnen wij met verwondering, en stilte en vertrouwen het ook aannemen wanneer Gods woord ons het heil toezegt, en wij horen: “en toch ben jij door God geliefd…toch ben jij door Christus Zijn kind…toch heeft Jezus Zijn bloed voor jou vergoten…toch ben jij voor Hem apart gezet…toch ben je heilig…” – Wat is daarop ons antwoord: “Nou, ik weet het niet hoor… – Wie, ik? – Nou, dat kan niet…” – of hoe zegt Zacharias het zo tragisch mooi? “Hoe zal ik het weten?” Terwijl…als jij het wonderbaarlijk vond, ongelooflijk, onbevattelijk? Hij ook gewoon niets had kunnen zeggen?
Weet u, wat een van mijn eerste, en meest blijvende tekenen van oprecht geloof is? Als klein jongetje was ik eens aan het praten met m’n oma, en ben zo ineens iets gaan vertellen over de Bijbel…iets wat ik op zondagschool gehoord heb…en ik zag het gezicht van mijn oma een uitdrukking aannemen van stil ontzag voor het evangelie. Ze heeft zelfs haar handen gevouwen toen ik erover vertelde, en werd eerbiedig stil, met een mysterieus heilige glimlach… Ik denk dat dit veel indruk op me heeft gemaakt als klein jongetje…
Dat wanneer je geconfronteerd raakt met het geweldige evangelie…die ongelooflijk is…je niet gelijk uit moet barsten in het eerste wat in je opkomt, want de kans is redelijk groot dat het je niet ten goede komt…maar dat je het eerst in stille verwondering tot je neemt, en het de tijd geeft om te laten dalen, tot de diepten van het hart… – en dan…wanneer daarde heilige Geest daar het oprecht geloof bewerkt…dan kun je beginnen met praten…dan kun je beginnen met God loven…Hem danken…Hem prijzen… – Dat deed trouwens Zacahriasook. Tot de geboorte van zijn zoon bleef hij stil. En toen hij wél begon te praten, zei hij: “Lof zij de God van Israel, de Heer die aan Zijn erfvolk dacht.”
Ds. A. C. Kelemen
